Visie


We zijn een school die zich ten doel stelt opvoeding en onderwijs te ontwikkelen volgens de beginselen van het ErvaringsGericht Onderwijs (E.G.O.).
Zie ook www.ervaringsgerichtonderwijs.nl Wanneer we dit betrek­ken op onze school betekent goed onderwijs voor ons: onderwijs waarbij kinderen maxi­maal betrokken zijn en zich voortdurend ontwikkelen en zich er goed bij voelen. De leerkrachten houden daarbij zoveel mogelijk rekening met de belevingswereld van de kinde­ren. Dit gegeven vormt de basis van ons onderwijsconcept.
De 3 principes die we hierbij gebruiken zijn: 1 het vrij leerlingeninitiatief, hierin kunnen kinderen in principe voor een groot deel van de dag vrij, uit een reeks van mogelijkheden kiezen. Dit is een krachtig middel om kinderen tot betrokken activiteit te laten komen. Vrij initiatief maakt het mogelijk dat kinderen zich langs een eigen weg ontwikkelen.
2 Het schoolmilieu speelt een belangrijke rol. Kinderen moeten in de school vinden wat aan hun behoeften tegemoet komt. Dit betekent dat we erop letten dat het materiaal dat we in de klas brengen voldoende uitdaging biedt om tot een eigen ontwikkeling te komen.
Daarnaast biedt de leerkracht nieuwe activiteiten aan, waaruit de kinderen weer een keuze kunnen maken. Leerkrachten houden steeds goed in de gaten wat het doel is: ’het op een betrokken manier leren van de leerlingen’. Door observaties houdt de leerkracht oog voor individuele kinderen, zodat we kinderen steeds vooruit kunnen helpen.
Kinderen moeten zich veilig en aanvaTechniek_OB_(3).JPGard voelen. Dit doet een beroep op het inlevingsvermogen van de leerkracht. Bovendien kunnen we door met de kinderen te praten op het spoor komen van wat hen bezig houdt, waar hun interesses liggen. Dit is het derde principe: de ervaringsgerichte dialoog.


De twee kenmerken die van grote waarde zijn voor de ontwikkeling van een kind zijn: betrokkenheid en welbevinden. Zij geven antwoord op de vraag hoe een leerling zich ontwikkelt of dingen leert. We zijn pas echt tevreden over een activiteit als we erin slagen een hoge betrokkenheid te realiseren, want in betrokken activiteit geven kinderen (en ook volwassenen) het beste van zichzelf. Als die hoge mate van betrokkenheid er is vindt er ontwikkeling plaats. Dit is echt leren. Betrokkenheid staat uiteraard niet op zich­zelf maar heeft veel te maken met welbevinden.
Bij het beoordelen van betrokkenheid kijken we naar een aantal kenmerken en signalen die bij kindgedrag horen.
We houden bij het beoordelen rekening met de leeftijd en ontwikkelingsniveau van de kinderen. Bij het observeren van de ontwikkeling staat de volgende vraag centraal: ‘Is dit kind nog in ontwikkeling?’. Door hier naar te kijken worden ook hoogbegaafde leerlingen gesignaleerd, die anders minder snel zouden opvallen, omdat hun resultaten op de verschillende toetsen toch wel voldoende zijn. De mate van welbevinden van kinderen geeft aan hoe zij het maken op het emotionele vlak. Kinderen (en volwassenen) die zich ‘welbevinden’, voelen zich ‘als een vis in het water’, ze zijn emotioneel gezond hebben zelfvertrouwen, durven zichzelf te zijn en voor zichzelf op te komen. De zo belangrij­ke kenmerken betrokkenheid en welbevinden realiseren we door de volgende 5 betrokkenheidverhogende factoren voor ogen te houden, met daaraan vastgekoppeld vijf werkvormen die een houvast geven om de betrokkenheid van de kinderen te verhogen en om hun welbevinden te vergroten. De factoren en werkvormen zijn de volgende:


1 Sfeer in de groep en de relatie met elkaar - kring
Kinderen moeten ‘lekker in hun vel zitten’. Een belangrijke factor hierbij is de sfeer in de klas. Deze is afhankelijk van verschillende zaken, zoals de relatie die de leerling heeft met de leerkracht en de medeleerlingen. Kinderen hebben het vertrouwen van de volwassenen in hun buurt nodig, hun geduld, hun goede vragen naar problemen die je als leerling kunt hebben, zodat je weer verder kunt. Om een goede sfeer en relatie te bevorderen wordt gebruik gemaakt van de kring. Dit is een moment waarop de groep of een deel van de groep bij elkaar komt met het oog op uitwisseling van gedachten en ervaringen. Er zijn twee functies: de kring als ontmoetingsplaats waarin onderling contact bevorderd wordt en de kring met een plannend en evaluerend karakter. De kring wordt dan gebruikt voor het maken van afspraken door de kinderen samen met de leerkracht, voor het plannen en bespreken van werkplannen, het geven van instructies, het terugkijken en nadenken over eigen gedrag en dat van anderen.

2 Aanpassing aan het niveau - contractwerk
Aansluiten bij het ontwikkelingsniveau van het kind is essentieel voor betrokkenheid. Wanneer het niveau te hoog is haakt het kind af en wanneer het te laag is, is er geen uitdaging meer voor het kind. Kinderen verschillen op vele vlakken van elkaar, zoals op ontwikkelingsniveau, belangstelling, tempo en bewegingsbehoefte. Verschillen tussen kinderen vinden we normaal. We willen dat kinderen het gevoel krijgen dat ze, onge­acht hun prestaties, geaccepteerd worden als persoon. Als kinderen zelf kiezen zijn ze bijna altijd betrokken bij wat ze gaan doen. Een werkvorm die zich hier heel goed voor leent is contractwerk.
Dit is een vorm waarbij voor iedere leerling een activitei­tenpakket voor een bepaalde periode (een dag, twee dagen of bij de oudere kinderen een week of langer) op papier wordt vastgelegd.
Voor het maken van dit pakket krijgt elke leerling een bepaald deel van de tijd beschikbaar. Hierbinnen kan de leerling redelijk zelfstandig beslissen over de duur en de volgorde van de activiteiten. De leerkracht draagt een stuk organisatie (zelfstandigheid) en verantwoordelijkheid over aan de kinderen. Per kind wordt bekeken wat hij of zij aan kan in de contracttijd, soms behelst het vele vakgebieden. Een belangrijk aspect van contractwerk is dat leerlingen in het leerproces verder kunnen gaan zonder door anderen te worden gehinderd. De contracten van de kinderen zijn niet gelijk, maar op hun eigen leerproces afgestemd. Door deze manier van werken sluiten we aan bij het ontwikkelingsniveau en het belangstellingsniveau van de kinderen. Door deze manier van werken praten we niet meer over jaargroepen, maar niveaugroepen. De leerlingen hoeven niet meer te wachten tot de leerkracht vertelt wat ze moeten doen, ze kijken op hun contract en zien wat reeds af is en wat ze nog moeten doen. Ze leren hun tijd in te delen, schatten de duur van de activiteiten, structure­ren hun werk, kunnen de hulpvraag uitstellen, helpen zelf en worden geholpen door medeleerlingen en kunnen zelfstan­dig omgaan met hulpmiddelen en bronnen. Ze nemen zelf initiatief en hun betrokkenheid wordt vergroot.


3 Werkelijkheidsnabijheid
- projectwerk

Kinderen hebben belangstelling voor wat er om hen heen gebeurt. Ze willen deze werkelijkheid begrijpen en er mee omgaan. Projectwerk ontstaat als kinderen bepaalde vragen, problemen of thema’s tegenkomen die hen sterk aanspreken. Een project start als een kind (kinderen) zich aangetrokken voelt tot een bepaald onderwerp en dat gaat onderzoeken. Dit kan in de vorm van een geschreven verhaal, een getypte tekst op de computer, een muurkrant enz. Soms maken kinderen veel meer dan alleen een verhaal, er worden bijv. dingen die een relatie hebben met het thema werkelijk (na)gemaakt. Als het project wordt afgerond vindt er een presentatie plaats in de kring, zodat andere kinderen op de hoogte worden gebracht van de (leer)activiteiten van medeleerlingen. Techniek_OB_(10).JPG

4 Activiteit
- ateliers (keuzecursussen)
We proberen te voorkomen dat er slechts éénrichtingsverkeer is van de leerkracht naar de leerlingen. Het gebruik maken van ‘ateliers’ is een werkvorm waarbij de kinderen zelf aan het werk kunnen. Ateliers zijn aparte tijdsblokken van circa een halve dag, waarbij de kinderen de keuze hebben uit een aanbod van activiteiten, die een bijzondere begeleiding, bijzondere materialen en soms een bijzondere ruimte veronderstellen. Sommige ‘ateliers’ vereisen specifieke begeleiding, daarvoor wordt hulp ingeroepen van deskundigen of van ouders. Voorbeelden van ateliers zijn: timmeren, schaken, aerobic, kleien ,


5 Leerlingeninitiatief
- vrije activiteit

Er kan alleen maar sprake zijn van betrokkenheid als een activiteit helemaal aansluit bij het behoeftepatroon van het kind. Daarom moet er ruimte zijn voor persoonlijke inbreng van het kind, waarin de individuele belangstelling aan het licht komt. Het inspelen op behoeften van kinderen is weer een krachtig middel om de betrokkenheid te verhogen. Een goed middel daarvoor is de vrije activiteit. Dit is een organisatievorm waarin kinderen uit een ruim aanbod kunnen kiezen, waarbij zo weinig mogelijk beperkingen gelden. Naast het aanbod van de leerkracht kunnen ook leerlingen met ideeën en activiteiten komen. Door kinderen te observeren probeert de leerkracht er achter te komen waarin kinderen geïnteresseerd zijn, om zo een aanbod te kunnen doen, dat aansluit bij de (individuele) behoeften.

Met de drie praktijkprincipes en de vijf betrokkenheidbevorderende factoren is in het ErvaringsGericht Onderwijs het kind de norm. Het onderwijs is ‘aangepast’ aan de kenmer­ken van de leerlingen. Door deze manier van werken stemmen we het onderwijs af op het kind, we nemen de verschillen tussen kinderen als uitgangspunt.
Dit onderwijs legt de norm van het succes bij het kind zelf: ‘we halen er uit wat er in zit’.

De leerstof en manier van aanbieden worden zo gekozen, dat ze stap voor stap aansluiten bij de ontwikkeling die het kind ten aanzien van het leerproces doormaakt. Het tempo waarin de stof wordt aangeboden wordt bepaald door het tempo waarin het kind zich de stof eigen maakt.